Trends & meer

Waar bedrijven tegenaan lopen naar energieneutraal pand

Vanwege de alsmaar oplopende energiekosten en de energietransitie streven steeds meer bedrijven naar een zo energieneutraal mogelijk bedrijfspand. Waar lopen zij tegenaan bij het realiseren van hun ambities?

Gebouwen zijn de grootste energieverbruiker in Europa. Zij zijn verantwoordelijk voor ongeveer 40% van het energieverbruik en 36% van de CO₂-uitstoot in de Europese Unie. Op Europees en nationaal niveau zijn daarom afspraken gemaakt en regels vastgesteld om gebouwen te verduurzamen.

Bij het energieneutraal maken van hun panden krijgen bouwers, bezitters en bewoners van vastgoed daardoor te maken met een waslijst aan regelgeving die moeten leiden tot een vermindering van het energieverbruik van hun gebouwen. Om er een paar te noemen: De energielabelplicht, EPC en BENG, de EPDB, Wet milieubeheerinrichtingen, MPR en dat is nog maar de helft van de overige regelgeving dat zorgt voor veel knelpunten zowel voor de opdrachtgevers en de bouwers in het kader van duurzaam bouwen en verduurzaming bedrijfsgebouwen.

Knelpunten
Er spelen volgens onderzoek door The Choice marktonderzoek & advies verschillende knelpunten op het gebied van duurzaam bouwen. Om te beginnen de rol van de overheid. Het meest genoemde knelpunt is: starheid van bestemmingsplannen waarbij wijzigingen te veel tijd in beslag nemen. Opdrachtgevers krijgen nu vaak het gevoel dat men niet goed weet waar men aan toe is en dat regelingen ‘zomaar’ kunnen veranderen. Op het gebied van techniek gaat het primair om onzekerheid. Binnen de sector is men het er wel over eens dat energiezuinigheid leidt tot een ongezond binnenklimaat en dat er onvoldoende kennis is om de juiste werking van nieuwe technieken op de lange termijn te borgen. Verder vindt men een knelpunt dat installaties te complex zijn waardoor het fout kan gaan bij het inbouwen of het gebruik daarvan. Volgens de bouwprofessionals ligt de oplossing het meest bij de sector zelf, maar kan de overheid zeker een ondersteunende rol spelen. Door controle en wetgeving zijn risico’s te beperken. Daarnaast kan een garantiefonds zekerheid bieden, hoewel dat ook prima door de sector zelf kan worden gerealiseerd. Bij de eindgebruiker gaat vooral om financiering en onzekerheid. Het belangrijkste knelpunt is dat eindgebruikers kiezen op aankoopsom en niet op bedrijfslasten. Uiteraard speelt hier ook mee dat de financierder er in mee moet gaan. Zolang banken lagere lasten niet meewegen in het hypotheekbedrag, kan het gebeuren dat energiezuinige oplossingen niet eens tot de mogelijkheden behoren. Het tweede knelpunt is dat men vreest dat lagere energielasten niet opwegen tegen de meerkosten van de oplossingen, met name als nieuwe technieken nog niet breed worden geproduceerd en de energieprijzen relatief laag (blijven) liggen. Dat energiezuinige oplossingen voor de eindgebruiker te veel gedoe of te ingewikkeld zijn. Daarop aansluitend vinden ze het te risicovol en zijn ze bang zijn voor hogere onderhoudskosten. Voorbeelden van tegenvallende rendementen en complicaties zorgen voor een slecht imago van energiezuinige nieuwbouw. Dit voedt het negatieve sentiment en maakt dat men meer knelpunten ziet. De tegenvallende resultaten kunnen het gevolg zijn van de producten zelf, maar ook van fouten bij installatie of door ondeskundig gebruik. Dit kan voorkomen worden door goede onderhoudscontracten of een energieprestatiecontract (EPC) waarin de opdrachtgever afspraken maakt met een uitvoerende partij van energiediensten over de te behalen energiebesparing.

Regeldruk
Vastgoedpartijen zullen de komende jaren worden geconfronteerd met een toenemende regeldruk in verband met het streven naar verduurzaming. Het lijkt erop dat er steeds meer regels bijkomen wat het niet overzichtelijk maakt. Zo is in het klimaatakkoord het doel gesteld om te komen tot CO₂ – arme utiliteitsbouw in 2050. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft eind 2020 in een kamerbrief aangekondigd dat bedrijven en instellingen vanaf 2023 verplicht worden om naast energiebesparende maatregelen ook CO₂ – reducerende maatregelen te treffen. Verder denkt het kabinet na over een zo-genoemd materialenpaspoort voor gebouwen. In dit document wordt aangegeven welke materialen vrijkomen bij de sloop van een gebouw om hergebruik te stimuleren. Daarnaast zullen de regels met betrekking tot energiebesparing en duurzaamheid ingrijpend wijzigen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Het streven van de overheid is om in 2022 de omgevingswet in te voeren. Gemeenten kunnen via deze nieuwe wet regels opstellen voor het behoud van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Duurzaamheid is straks een geïntegreerd onderwerp binnen de Omgevingswet. Hierdoor zouden nieuwe kansen kunnen ontstaan om duurzaamheid publiekrechtelijk af te dwingen op sommige onderwerpen. Dit zou als gevolg hebben dat gemeenten niet meer afhankelijk zijn van een private overeenkomst met een initiatiefnemer of beleidsinstrumenten, maar dat zij aan de voorkant al op een aantal vlakken regels kunnen stellen in bijvoorbeeld het omgevingsplan op het gebied van duurzaamheid. Hierdoor zijn initiatiefnemers verplicht om deze regels na te leven en zijn deze regels aan de voorkant al bekend.

Kansen
Er zijn echter ook kansen. Zo wordt de verduurzaming van vastgoed gestimuleerd via de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE ++), de Energie-Investeringsaftrek en de Energieprestatievergoeding (EPV) voor verhuurders. Het is dan ook zaak om zicht te houden op deze regels bij de aankoop en het beheer van vastgoed om tegenvallers te voorkomen en kansen te grijpen. Helen Visser Beleidsadviseur Duurzaamheid bij Bouwend Nederland ziet ondanks (inter)nationale doelen en vele akkoorden de opschaling van de verduurzamingsmarkt moeizaam tot stand komen. “Het benutten van kansen die duurzaamheid bedrijven biedt, is primair een zaak van ondernemers. Er is nog een groot gat tussen beleid/ambitie en de daadwerkelijke marktvraag. Het meerjarenprogramma van Bouwend Nederland focust daarom op het stimuleren van de markt, bijvoorbeeld door inzet op vraagbundeling, duidelijkheid over prestatie-eisen, standaardisatie en andere randvoorwaarden, de lobby voor zodanig gunnen op duurzaamheid dat bedrijven zich met duurzaamheid kunnen onderscheiden in de markt en uit te dragen wat de sector te bieden heeft.”

Eerste duurzame en innovatie bedrijfsgebouw van Nederland
Op de website van RVO Nederland staan veel voorbeelden van duurzame gebouwen en hun aanpak hierin. Bijzonder is het nieuwe pand van Different Doors dat gebouwd is volgens de normen van 2050. “Innoveren is belangrijk, dat doen we bij Different Doors iedere dag, bij alles wat we doen”, aldus Sil Kuppens eigenaar van Different Doors. Het was dus een logische keuze dat ook bij de ontwikkeling van een nieuw bedrijfspand innovatie het uitgangspunt werd. Om dit succesvol te realiseren ging een zoektocht naar partijen met de juiste expertises en ambities van start. Middels het samenbrengen van de kennis en kunde van Different Doors, TU/e, Architectenburo ZIJN, CSB Installatietechniek, gemeente Cranendonck en NRG Advies, ontstond een verbindend projectteam.
Leren van anderen en het delen van kennis met elkaar, vormt de sleutel tot succes. En dus besloot men om inspiratie en kennis op te halen bij experts en ervaringsdeskundigen. Door op te halen wat goed ging én wat men met de kennis en ervaring van nu anders zou doen op diverse duurzaamheidsaspecten ontstond een totaalconcept.

Een aantal feiten
Het bedrijfspand kent meer dan 12 innovatieve en duurzame technologieën. We zetten een aantal keuzes op een rij:

Keuze voor houtskeletbouw; dit draagt bij aan een geschatte CO2-reductie van maar liefst 55%.

Keuze voor een thermisch opslagsysteem; een buffer in de grond die warmte in de zomer opslaat om in de winter te gebruiken en vice versa.

Keuze om Barnwood te verwerken op de gevel; circulair en een minimale footprint door hergebruik materiaal.

Nieuwsbank banner