Cartoons

Informatieplicht energiebesparing bedrijven in hogere versnelling

De afhandeling van de sinds vorig jaar geldende informatieplicht energiebesparing voor bedrijven gaat in een hogere versnelling. In principe moet elke onderneming eens in de vier jaar worden gecontroleerd. Een van de ermee belaste omgevingsdiensten geeft aan dat tot nu toe iets meer dan de helft van de doelgroep zich heeft gemeld.

Bedrijfspanden kunnen meer bijdragen aan een duurzamere toekomst. Denk aan goede isolatie, verlichting die minder stroom vraagt of verbeteren van ruimteventilatie. De informatieplicht over maatregelen voor energiebesparing is daarom voor de meeste bedrijven (een jaarlijks verbruik van minstens 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas) per 1 juli vorig jaar ingevoerd. Een klein deel van de doelgroep (grote ondernemingen) kreeg de tijd tot 5 december 2019. Met behulp van lijsten voor Erkende Maatregelen worden bedrijven geholpen om duurzamer te worden. Investeringen kunnen in vijf jaar of minder worden terugverdiend. Met de invoering van de informatieplicht is het verplicht geworden voor bedrijven en instellingen om te rapporteren welke energiebesparende maatregelen zijn uitgevoerd en welke maatregelen nog op de planning staan. De informatieplicht verduidelijkt niet alleen voor bedrijven en instellingen op welke wijze invulling kan worden gegeven geven aan de energiebesparingsplicht, maar versterkt ook de informatiepositie van het bevoegd gezag. Er kan dan informatie-gestuurd de prioriteiten voor handhaving en toezicht worden bepaald. Voor het bevoegd gezag gaat voornaamste aandacht uit naar inrichtingen die nog niet gerapporteerd hebben en daarmee niet aan de informatieplicht voldoen. Gemeenten zijn het bevoegd gezag voor de toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht. In de praktijk wordt dat meestal overgelaten aan de regionale omgevingsdiensten, waarin gemeenten samenwerken.

Kritiek op frequentie handhaving

Vóór de zomervakantie ontstond enige ophef over de kennelijk geringe aandacht voor het naleven van de informatieplicht energiebesparing. Kamervragen van Tom van der Lee (GroenLinks) suggereerden dat er onvoldoende wordt gehandhaafd. Het zou er in de praktijk op neerkomen dat sommige bedrijven en instellingen slechts een keer in de vijftien tot twintig jaar op bezoek kunnen rekenen in dit verband. Minister Wiebes (Economische Zaken) stelt allereerst dat gemeenten gaan over hun eigen omgevingsdiensten en dat gemeenteraden hun college van burgemeester en wethouders kunnen aanspreken op verontrustende cijfers over dit onderwerp.

Daarnaast geeft hij aan dat door de decentrale opzet van de informatieplicht er geen centrale registratie van toezicht en handhaving wordt bijgehouden. Wel geeft hij duidelijk aan wat de ambitie is als het gaat om de periode waarin een organisatie controle kan verwachten. Dat is wat hem betreft eens in de vier jaar: „Een logische frequentie voor periodieke bedrijfscontrole zou de vierjaarlijkse informatieplichtronde zijn.” Iets dat mogelijk is, omdat niet elk bedrijf fysiek hoeft te worden bezocht. Wiebes stelt dat informatie-gestuurd toezicht dit mogelijk maakt. Meer dan voorheen kan op basis van informatie toezicht worden verricht, mogelijk door ontwikkelingen op het gebied van ICT en data-analyse.

Meer geld beschikbaar

Er is tevens dit jaar opnieuw €5 miljoen beschikbaar gesteld voor de maatregel ‘versterkte uitvoering energiebesparings- en informatieplicht. Die tweede ronde is deze maand van start gegaan. „Aan de hand van een vastgestelde ‘menukaart’ met onder andere gevelcontroles, bedrijfsbezoeken en administratieve activiteiten, kunnen bevoegde gezagen opnieuw extra capaciteit aanvragen voor de periode 2020 en 2021”, schrijft de minister aan de Kamer.

Kort gezegd belooft de minister dus meer steun zodat gemeenten aan de slag kunnen om de energiebesparingsplicht in de praktijk mogelijk te maken. Behalve de genoemde maatregel ‘versterkte uitvoering energiebesparings- en informatieplicht’ wijst Wiebes op communicatie over het onderwerp aan gemeenten. „In mijn brief van februari 2020 heb ik aan elk college in Nederland gemeld hoeveel bedrijfsvestigingen in de betreffende gemeente gerapporteerd hebben, hoeveel daarvan op grond van de rapportage extra toezicht vergen en hoe zich dat tot landelijke gemiddelden verhoudt. Ik heb hen tevens gewezen op de mogelijkheden voor extra ondersteuning bij het toezicht op energiebesparing en de colleges opgeroepen om werk te maken van energiebesparing bij bedrijven en instellingen. Het is nu aan de gemeenten en de gemeenteraden om aandacht aan de uitvoering van deze wettelijke taak te geven.”

Omgevingsdienst

De basis voor de vragen van GroenLinks was onderzoek in het werkgebied van de omgevingsdiensten West-Holland en Haaglanden en sloeg op de gemeenten Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en Leidschendam-Voorburg. Gemeenten Oegstgeest en Voorschoten hebben de milieutaken belegd bij de Omgevingsdienst West-Holland. Het is interessant om te weten wat de stand nu in West-Holland is en wat bedrijven en instellingen daar kunnen verwachten. West-Holland stelt voorop dat het geschetste beeld in de Kamervragen niet klopt. Nauwelijks controle zou met nieuwe milieuwetgeving en sinds kort de Informatieplicht energiebesparing al lang niet meer de praktijk zijn.  

Robert van der Voort plaatst namens de omgevingsdienst de kanttekening bij het (rekenkamer)onderzoek dat de erin verwerkte gegevens dateren van ver voor de informatieplicht. Met de aanscherping van de milieuwetgeving en de komst van de informatieplicht is volgens hem meer informatie beschikbaar en is het makkelijker om het toezicht op energiebesparing te organiseren. Reguliere controles, zeker van grote bedrijven, vinden elke paar jaar plaats, niet slechts één keer in de vijftien jaar. Ambitie en realiteit zijn wel afhankelijk van de prioritering van gemeenten en de beschikbaarheid van budget en mensen.

En verder: „Het is wel een beetje lastig alle bedrijven in beeld te krijgen, omdat we geen vrije toegang hebben tot energiecijfers. Maar voor zover we weten heeft in ons gebied tot 31 augustus zo’n zestig procent zich gemeld. Nu zijn we aan het toetsen of meldingen kloppen en of melders extra maatregelen moeten nemen. Daar krijgen ze in principe zes maanden de tijd voor.”

„Een andere groep is het deel van de bedrijven en instellingen dat zich niet heeft gemeld. Die zijn in mei aangeschreven. Afhankelijk van de reactie kunnen we vervolgstappen nemen, zoals handhaven. Dat zal volgend jaar worden. Ook staat dan in de planning checken of niet genomen maatregelen toch worden uitgevoerd. Dat betekent ter plekke kijken.” In coronatijd wordt daadwerkelijk aanwezig zijn om te handhaven en controleren of meldingen en beloftes kloppen lastiger, geeft Van der Voort toe. „Er wordt al geëxperimenteerd met energietoezicht op afstand. Van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant weet ik dat ze zo met behulp van beeldbellen een locatie checken in plaats van op bezoek te gaan.”

Ambitie realistisch?

Blijft natuurlijk de vraag of de uitgesproken ambitie van eens per vier jaar controle van elk bedrijf haalbaar is. Van der Voort: „Ambitie en realiteit is echt afhankelijk van de prioritering van gemeenten. Het is aan hen om budget en mensen daarvoor vrij te maken. Maar het klopt dat we tegenwoordig op basis van goede informatie beter kunnen analyseren en slimme keuzes mogelijk zijn.” De door Van der Voort genoemde zestig procent lijkt niet veel, maar is nog altijd meer dan de tussenrapportage in december vorig jaar. Toen waren er 836 meldingen binnen. De verwachting is dat er in de regio West-Holland rond de 2000 bedrijven en instellingen meldplicht hebben. Uit voorlopige analyse bleek dat slechts 13 procent alle toepasselijke erkende maatregelen uit hun bedrijfstak had uitgevoerd. De meest voorkomende nog te nemen maatregelen waren ruimteverwarming buiten bedrijfstijd, het vermogen van de accent- en buitenverlichting, het beperken van de verlichting van de vluchtwegen, het regelen van de temperatuur per ruimte en het beperken van ruimteverlies via warmwaterleidingen en -appendages (afsluiters, watermeters etc.,).