Cartoons

Architecten blazen nieuw leven in openluchtscholen

In 1930 bouwde architect Jan Duiker de ‘1e openluchtschool voor het gezonde kind’. Bijna een eeuw later duikt de Bond van Nederlandse Architecten (BNA) opnieuw bovenop dit concept. Slimme toepassing van ‘openluchtelementen’ kan volgens verschillende architecten van de BNA namelijk een oplossing zijn voor veelgehoorde klachten over te weinig vierkante meters en slechte binnenklimaten. Dit blijkt uit de nieuwe ontwerpstudie ‘De openluchtschool revisited’, waarin de oepasbaarheid van het aloude openluchtschoolconcept in huidige schoolgebouwen is onderzocht.

In de eerste helft van de 20e eeuw werden in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten veel openluchtscholen gebouwd. Openluchtscholen waren toen alleen bestemd voor zieke kinderen. In een groene omgeving konden de kinderen onderwijs krijgen en tegelijk aansterken. Met het stijgen van de welvaart daalde de belangstelling voor dit schoolconcept. De school-gebouwen bestaan nog, maar het concept is veel minder gericht op onderwijs in de buitenlucht. Micha de Haas (Architectenbureau Micha de Haas) stelt dat de relevantie van een openluchtschool echter weer toeneemt, vanwege onder meer de individualisering van het onderwijs, het belang van beweging en voeding en de aandacht voor energieverbruik van gebouwen en frisse scholen. ‘Veel scholen hebben een slecht binnenklimaat, terwijl de energierekening hoog is. Uit onderzoek blijkt dat de buitenlucht-kwaliteit, zeker als het gaat over CO2, ook op stedelijk niveau nagenoeg altijd beter is dan de binnenluchtkwaliteit.’ Alleen al dit gegeven toont volgens hem de relevantie aan om te kijken of er elementen van die openluchtscholen zouden kunnen worden gebruikt in huidige onderwijs-gebouwen. Daarnaast ontstaan er steeds meer brede scholen, die niet meer uitsluitend tussen half negen en half vier worden gebruikt, aldus De Haas. ‘In schoolgebouwen wordt er veel meer gedaan dan alleen maar les geven. Er vinden tal van activiteiten plaats voor kleine en grote groepen en gedurende verschillende tijdstippen van de dag. Bij verschillende activiteiten passen verschillende klimaatcondities. Het ligt dan ook voor de hand om in de school meerdere klimaatzones te introduceren.’ Een aantal van deze klimaatzones kan volgens de architect op het schoolplein, in de buitenlucht, geïntroduceerd worden. Hiermee wordt de overgang tussen buiten en binnen geleidelijker en de drempel om naar buiten te gaan lager. Dat betekent dat een school dan niet meer uitsluitend uit klassen en gangen bestaat, maar uit een variatie van ruimten met verschillende condities en gebruiksmogelijkheden.

Integrale opgave
Dit vereist wel een omslag in het denken vanuit de kant van architecten. Allereerst is het volgens De Haas belangrijk het gebouw en de omgeving te ontwerpen als een integrale opgave. Schoolgebouw en schoolplein worden volgens hem zelden als integrale ontwerpopdracht beschouwd. ‘Het schoolplein – honderden vierkante meters per school – is meestal het minst gebruikte oppervlak van de school. Terwijl het veel meer kan zijn dan uitraasterrein voor in de pauze, of een trapveld tijdens gymles. Hier schuilt een potentie voor al dan niet seizoensgebonden onderwijsruimte en voor een variatie aan verblijfskwaliteiten. De school is niet alleen het gebouw, de directe buitenruimte en omgeving maakt er structureel deel van uit. Schoolgebouw en buitenruimte leveren per saldo meer netto primair onderwijskundig oppervlak op.’ Een heleboel schoolactiviteiten kunnen met een kleine aanpassing of aanvullende voorziening in de buitenlucht plaatsvinden. Dit stelt Rosanne Jansen van het Maastrichtse architecten-bureau Frencken Scholl Architecten, die tevens een bijdrage heeft geleverd aan de ontwerpstudie van de BNA. ‘De natuur kent vele educatieve aspecten.

Een heleboel vakken als biologie, aardrijkskunde, scheikunde en natuurkunde kunnen onderwezen worden met behulp van de buiten- omgeving. Planten, dieren en seizoenen bieden dan het lesmateriaal.’ Jansen heeft verder haar bedenkingen over de trend om te investeren in permanente bouw met termijnen voor 30 jaar. ‘Concepten als dynamische bouw, mobiele bouw en tijdelijke bouw kunnen beter inspelen op groei en krimp. Tevens kan flexibeler ingespeeld worden op weersomstandigheden. Ook kan bijvoorbeeld op locatie in de buitenruimte les worden gegeven.’

Verwarming
Omdat scholen hoofdzakelijk overdag gebruikt worden is de verwarming van een hedendaagse school alleen nodig om de ventilatielucht te ver-warmen. Om er voor te zorgen dat in die vier maanden per jaar niet al die koude ventilatielucht moet worden verwarmd worden er enorme instal-laties de schoolgebouwen binnengesleept. De studie impliceert dat het veel logischer zou zijn om het gebruik van de scholen wat meer aan te passen op de seizoenen. Dit biedt schoolbesturen en architecten kansen om extra aandacht aan de gevel – waar binnen en buiten elkaar ontmoeten – te besteden. Architecten en schoolbesturen moeten daarom volgens de ontwerpstudie worden verleid om de buitenruimte te gebruiken. ‘De kans van slagen verbetert als gekozen wordt de hoofdentree via de gevel te laten plaatsvinden. Gebruikers zullen dan sneller geneigd zijn in het gebied tussen binnen en buiten te verblijven. Maak de gevel breed toegankelijk, speels, interactief en uitnodigend’, luidt het advies van De Haas. Architect Marriette Adriaansen, die tevens heeft meegewerkt aan de ontwerpstudie, pleit er voor om lokale kassen te gebruiken in onderwijs-concepten. ‘Door een onverwarmde kas toe te voegen ontstaat een variatie aan temperaturen in de school, maar worden de pieken en de overlast van lesgeven in de buitenlucht wat gedempt. De kas kan de ventilatielucht in de wintersituatie voorverwarmen waardoor minder snel tocht zal optreden in de lokalen.’ Verder is Adriaansen voorstander van openluchtgymzalen. ‘De overkapping kan worden gevormd door een kasconstructie, zodat men geen last heeft van regen en sneeuw. Sporten en gymmen is bij uitstek een activiteit die we het hele jaar door buiten zouden kunnen doen’, aldus de architect, die verder nog mogelijkheden ziet voor tuinbouw op school-gebouwen. ‘In grote steden wordt momenteel gekeken om leegstaande kantoren te gebruiken voor stadslandbouw. Waarom zouden we het daklandschap van de school niet gebruiken om de schooltuin op in te richten? Wanneer we deze schooltuinen overkappen met een kas kan dit tevens voor de luchtzuivering zorgen in school. Het CO2 dat geproduceerd wordt in het klaslokaal komt de plantengroei ten goede en keert als O2 terug in het systeem.’ Openluchtcomponenten hebben dus absoluut meerwaarde, concludeert De Haas. Toch worden deze nog niet toegepast binnen het onderwijs. Dit is volgens de architect te wijten aan het proces dat aan het bouwen en verbouwen van een school vooraf gaat. ‘Integrale en innovatieve oplossingen zoals het toepassen van openluchtcomponenten moeten al tijdens het schrijven van een programma van eisen worden verkend. Dat gebeurt nu niet. Een programma van eisen richt zich momenteel per definitie op technische installaties. Hier is een omslag noodzakelijk. Daarin kunnen architecten een prominente rol spelen.’