Bedrijfsnieuws

Hoe groot moeten pictogrammen zijn?

De kijkhoek, belichting en waarnemingsafstand. Zomaar wat zaken die belangrijk zijn bij het bepalen van de grootte van een pictogram. In de nieuwe versie van de NEN 3011 is de informatie over waarnemingsafstanden aangepast. De versie van juni 2021 geeft daarmee een beter antwoord op de vraag: hoe groot moeten pictogrammen zijn?

De grootte van een pictogram wordt beschreven in de NEN 3011. De grootte van een veiligheidsteken of pictogram is hierin opgenomen. Ook de verhouding tot de waarnemingsafstand en de omstandigheden ter plaatse spelen een rol. In de ISO 3864-1:2011 en de NEN-ISO 9182-2 is al informatie opgenomen over waarnemingsafstanden ten opzichte van de hoogte van veiligheidstekens. In de aangepaste NEN 3011:2021 wordt dit verder uitgewerkt en verduidelijkt.

Waarnemingsafstand van pictogrammen

De verhouding tussen de waarneembare afstand (l) en de hoogte van een veiligheidsteken (h) wordt uitgedrukt in de afstandsfactor (z). In het bepalen van de afstand en hoogte wordt van een waarneming uitgegaan waarbij de waarnemer loodrecht onder een hoek van 0 graden naar het midden van een veiligheidsteken kijkt. Voor het bepalen van de afstandsfactor is een test vastgelegd in de NEN-ISO 9186-2. Als deze testgegevens niet beschikbaar zijn, kan er gebruik worden gemaakt van een waarde van 60 voor de afstandsfactor.

De waarnemingsafstand wordt als volgt berekend: waarneembare afstand (l) = afstandsfactor (z) * hoogte van een veiligheidsteken (h)

Hoogte van veiligheidsteken

Mensen moeten vanaf een veilige afstand kennis kunnen nemen van potentiële gevaren en noodzakelijke veiligheidsmaatregelen. Een risicoanalyse kan bepalen wat een veilig waarneembare afstand (l) is, welke waarnemingshoek moet worden gebruikt en wat de verlichtingsomstandigheden zijn. Met deze gegevens kan vervolgens de minimale hoogte van een veiligheidsteken worden bepaald:

De hoogte kan als volgt worden berekend (fig. 1): hoogte van een veiligheidsteken (h) ≥ veilig waarneembare afstand (l) / afstandsfactor (z)

Onder slechte verlichtingsomstandigheden (bijvoorbeeld bij stroomuitval en het gebruik van noodverlichting) moet de afstandsfactor (z) vermenigvuldigd worden met 0,5. (fig. 2). In het geval van vluchtwegaanduiding, waarbij gebruikt wordt gemaakt van normale of fotoluminescerende materialen, wordt de afstandsfactor (z) bepaald door de verlichtingssterkte ter plaatste van het teken (fig. 3). Als intern verlichte vluchtwegaanduiding (verlichtingsarmaturen) wordt gebruikt, dan wordt de afstandsfactor (z) bepaald door de luminantie van de witte contrastkleur (fig. 4).

Bovenstaande afstandsfactoren gelden voor personen met een normale of gecorrigeerde gezichtsscherpte. Voor personen met een slechtere gezichtsscherpte moet de afstandsfactor worden aangepast. Voor gezichtsscherpte van bijvoorbeeld 0,5 en 0,1, moet de afstandsfactor (z) worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,5 en 0,1.

Waarnemingshoek

Bij waarneming onder een hoek moet de afstandsfactor (z) worden gecorrigeerd worden met de formule: afstandsfactor (z) = afstandsfactor (z)*Cosα. Bij een waarnemingshoek van 30°, 45° en 60°, moet de afstandsfactor respectievelijk met 0,87, 0,71 en 0,50 worden vermenigvuldigd.

Meer informatie
Nieuwsbank banner